Educatorium

21 November 1997

In het pakket techniek dat door het midden van het gebouw loopt, is een dikke verwarmingsbuis door een steile stalen trap gestoken, waardoor het onmogelijk wordt deze te bestijgen. Het détail lijkt een Peter Eisenman-referentie maar is niet bedoeld om gepubliceerd te worden. Het is geen architectuur want het is aangebracht door de installatiedeskundigen. Is het, net als de nauwkeurig gemodelleerde waterspuwers helemaal bovenin de Notre Dame, alleen gemaakt voor God om te zien?
Metafysica is het niet, wel een bewijs dat het OMA de vernieuwing vindt op de bouwplaats en aan de vergadertafel. Het Educatorium is een groot object dat nazindert van het feit dat het is gemaakt door een grote groep specialisten. De verschillende onderdelen van het gebouw én van het bouwen zijn in hun autonomie gedramatiseerd en niet in architectuur geintegreerd.

Meer dan tien jaar geleden maakte het OMA een plan voor de modernisering en uitbreiding van het Universiteitscomplex 'de Uithof'. Het oude complex verrees in de jaren zestig: een verzameling immense grindbetonnen flats en slabs in het groen achter de snelweg. Het OMA herkende een latente stedebouwkundige orde van een raster, assen, stroken en clusters in een leeg landschap. Deze werd lyrisch overdreven: ergo het nieuwe plan. De verzameling technocratische architectuur en de stedebouwkundige rudimenten die waren ontstaan, omschreef het OMA als een 'catalogus van improvisaties'. Het nieuwe plan was een 'speculatieve impuls' voor de ontwikkeling van het gebied. Aan de buitenrand van het centrumgebied, op de plek waar universiteit en landschap elkaar raken, is nu het Educatorium verrezen. Het transparant maken van het gebouw, zodat het overgaat in het landschap, is de letterlijke vertaling van het masterplan.

Het OMA maakt deze pragmatische analyses en ontwerpen slapend; ook wij zouden er normaliter niet voor wakker worden. Het OMA wordt echter zèlf gedreven door een 'speculatieve impuls', komend van de leegte en de standaardarchitectuur van de Uithof. De favoriete 'lyrische overdrijving' van Rem Koolhaas is die van mei '68: het ontstaan van een kritische massa aan studenten op de abstracte lege vlakten tussen de standaardarchitectuur van Jussieu, Tolbiac en Nanterre. Dit leverde een nieuw ruimtelijk paradigma op: dat van de bewustzijnsverhogende en bevrijdende werking van de leegte.

Het bibliotheek-ontwerp voor Jussieu uit 1992 bestaat uit het opvouwen van de leegte die werd weggetrokken onder Albert's schijven aan de Seine. Terwijl de maquette voor Jussieu brandt met het heilige vuur van '68, gloeit dit in het Educatorium diep en discreet. De universiteiten hebben na '68 de massa's studenten opgevangen in kleinschalige en democratische omgevingen, waarin iedere student als een individu behandeld werd. Het lijkt alsof Rem Koolhaas met de kale hellingbanen, het netwerk van verkeers- en pauzeruimtes en de uitbundige uit- en doorzichten van het Educatorium - de onkritische massa van de jaren negentig studenten opnieuw tracht te confronteren met zichzelf.

De gebouwen aan weerskanten van het Educatorium zijn eenduidige projecties van een geobjectiveerd architectuur- en constructiesysteem. De verschillende onderdelen van het moderne bouwen zijn opgelost in kloppende figuren. Zij staan als bergen neutraal ten opzichte van het leven. Het Educatorium is een schizofrene nakomeling die berg wil zijn èn leven. Het gebouw en haar onderdelen zijn niet opgelost in één systeem. Het hangt aan elkaar van niet-kloppendheden, breukvlakken en schitterende ongelukken. Het Educatorium is zèlf een 'catalogus van improvisaties'.

Een catalogus van improvisaties
De constructie in dit gebouw gedraagt zich destructief. Er zit geen visuele logica en geen regelmaat in de verdeling van kolommen (af en toe ontbreekt er één in het woud van kolommen en zien we een groot stalen spant). Meer nog lijkt het alsof de constructie van het gebouw strijdig is met de zalen-invulling. De manier waarop de staalconstructie aan de zuidzijde van het gebouw de glazen wand van de collegezaal doorsteekt, snijdt dwars door het zenuwgestel van echte architecten en critici. Geeft dit een verschillende tijdsduur aan van drager en inbouw, een loskoppeling van constructie, openbare ruimte en 'architectonische invulling'(zoals in Jussieu) of is het gewoon een vals genoegen in het maken van iets wat 'echt niet kan'?

Het Educatorium heeft de minst gevelachtige gevel denkbaar; de noordkant ziet eruit als een doorsnede, als een plak uit een eindeloos gebouw (uit een biscuitrol). Tegelijk is het de meest gevelachtige gevel omdat de in elkaar grijpende hoekige en gevouwen betonvlakken als een logo werken. De zuidgevel doet het omgekeerde; in plaats van een tectonische logica op te houden, onttrekt deze een schokkende lelijkheid aan de zware complexiteit van het interieur. Hij is het mongoloide broertje van de elegante en verantwoorde noordgevel.

De rechthoek van het gebouw is ingedeeld door verkeersruimte: aan de vier buitenzijdes lopen gangen en een asymmetrisch kruis met trappen, gangen en toiletten verdeelt het in quadranten. Aan dit kruis, waarvan één poot over de gehele lengte van het gebouw is vormgegeven als een marmeren wand (super-Mies), is het programma opgehangen. In de eerste plaats is dat de collectieve ruimte, die als open oningedeelde leegte overal opdoemt. Deze herhaalt in het interieur de leegte die in het stedebouwkundige plan tussen de gebouwde objecten geclaimd is. Deze is in verschillende 'kamers' verdeeld vooral door liggende vlakken: glazen vloeren, kokosmatten, beton, underlayment, linoleum, parket. De verkeersruimte verandert telkens in verblijfsruimte; zij maakt niet alleen een netwerk van beweging, maar ook van plekken om stil te staan
Het is duidelijk waar in het gebouw de student neemt en waar hij geeft, ofwel waar zich het onderricht en de beoordeling bevinden. In het hoekige volume zijn de vloeren streng gestapeld en bevatten zij drie tentamenzalen. Bruynzeelstoelen en tafeltjes rijgen zich onder een laag systeemplafond aaneen tot een eindeloze vlakte; de enige ontsnapping aan de pedagogische 'killing fields' is het landschap aan gene zijde van de glazen gevel.

Twee collegezalen zijn als losse volumes vormgegeven in ruimte van de vouw, met een mooie trap die zich langs de gebogen wand omhoog perst. Hier verkrijgt de architectuur beeldende kunstkwaliteiten omdat de functionele onderdelen zich hebben gemuteerd in merkwaardige op zichzelf staande vormen. In één zaal hangt de wapening uit het betonnen plafond als het skelet van een Godzilla-ei, in de andere zaal is een kleiner ei dat door een botenmaker met absurd vakmanschap getimmerd is (vanwaaruit de dia's vertoond worden). De zwarte acoustische panelen aan de muur zijn gearrangeerd tot een suprematistische compositie.

De ruimte die overheerst is echter het immense netwerk van ruimtes tussen de zalen. Het lijkt alsof het een pauze-gebouw is, af en toe onderbroken door een college of een tentamen. Overal zijn balkons, hoeken, trappen, hellingbanen om rond te hangen. Toch is het gebouw niet gezellig; het lijkt eerder bedoeld om in grote groepen te discussieren met koffie en sigaretten, dan om in een hoekje een kopje thee te drinken met je grijzende langharige studiebegeleider. Het meest gewacht en gebrald zal er wel worden op het hellende vlak dat eigenlijk buiten het gebouw ligt, waar een bekertje koffie zo omvalt. Hier staat ook het lichtgevende 'straatmeubilair' van kunstenaar Joep van Lieshout. De hard-core OMA ruimte in het uiteinde van de vouw is wellicht bedoeld om in te discussieren, maar werkt nu al als half-pipe voor skateboarders.

CRIMSON


originally published as: 'Das Educatorium, Hörsaalgebaüde auf dem Campus von Utrecht', Bauwelt, Heft 43/44, 21 November 1997
menu