What If?
exhibition by crimson

1. Op 14 mei 1940 verzamelden honderden dakloze Rotterdammers zich op het land van Hoboken, de lege vlakte tegenover het Museum Boijmans-Van Beuningen. Zittend in het gras zag men de vlammen en rookwolken die opdoemden achter de bomen en de moderne witte villa’s die de rand van het centrum markeerden. Niemand wist dat er duizenden mensen omkwamen; niemand kende de reikwijdte van het bombardement; niemand wist dat deze verschrikkelijke verwoesting de grootste impuls zou zijn voor de ontwikkeling van de stad sinds het doorgraven van de Nieuwe Waterweg aan het einde van de negentiende eeuw. Op 14 mei 1940 begon de geschiedenis van Rotterdam opnieuw.

2. Pagina 354 van een exemplaar in de Rotterdamse openbare bibliotheek van Het koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog van Prof. L. de Jong is door een overlevende van het bombardement door middel van kleurpotlood veranderd in een bidprentje. Het kaartje laat zien hoe omstreeks 13.30 uur een eskader Duitse Heinkels in noordwestelijke richting over het centrum vloog en een rode loper van brisantbommen uitrolde. Maar daarbij bleef het niet: enkele minuten later legde een tweede eskader een tapijt van bommen dwars over het eerste. Op het kruispunt van de twee bereikte het vuur zo’n intensiteit dat het alle zuurstof van de gebieden eromheen naar zich toe zoog. Het resultaat was een vuurstorm die zich rondom uitbreidde, alles op haar pad verwoestend.

3. In zijn boek ’The Luftwaffe’ uit 1979 beschrijft de Britse Historicus Max Hastings hoe het bombardement op Rotterdam de stad niet alleen als een bouwwerk, maar ook als een gemeenschap uit elkaar deed spatten: "The raid on Rotterdam lasted fifty-one minutes, from the fall of the first target indicator to the release of the last Heinkel incendiary load. In the cellars and shelters of the city, almost thirty thousand people lay numbed by the continuous concussions, the dust swirling in through the ventilators, the roar of falling masonry all around them. The lighting system collapsed almost immediately, and as foundations trembled cellar doors buckled, brickwork began to fall. The civil defence organisation disintegrated as streets were blocked and bombs cut the viable cable links to the control centre on the Botersloot and the emergency control on the Schiekade. The firemen were thenceforth without orders. The fire-watching centre behind the Laurenskerk was itself ablaze. Gas, water and power mains were severed. In the first minutes of the attack, the people of Rotterdam lost their coherence as a body of citizens, capable of mutual assistance. The town became a splintered, blazing, smoking battlefield upon which thirty thousand men, women and children struggled to save themselves as best they might. This of course was precisely the purpose of saturation air attack on cities. But it was very rare, especially in this first year of the war, that the intention was as comprehensively fullfilled as on the afternoon of 14 May in Rotterdam."

4. De krantenberichten berichtten de dag na het bombardement over de totale verwoesting van het centrum en daarmee ook over de overgave van Nederland aan de Duitsers, die dreigden anders ook nog Amsterdam te bombarderen, de eerste, belangrijkste en meest historische stad van Nederland. Opvallend is dat men elk gebouw en elke straat die is getroffen afzonderlijk opsomt: op twee na zijn ze allemaal verwoest. De doden werden niet individueel opgenoemd. Men beperkte zich tot de mededeling dat het er "uiteraard duizenden" waren. Later bleken het er 12.431 te zijn.

5. Tijdens en na de oorlog beschreven mensen die het bombardement hadden overleefd wat ze zagen in en om de verwoeste stad. Een veelzeggende literaire vondst is de vergelijking van het storten van het puin in de Kralingse Plas en het in een massagraf storten van de lijken. Uit vele fragmenten blijkt dat men de bevolking van de stad en de bebouwing van de stad als één geheel zag, en dit geheel was nu verwoest.

6. Nadat een leger van tienduizenden werklozen in de eerste oorlogsmaanden het puin had geruimd, de funderingspalen uit de grond had getrokken en andere recyclebare bouwmaterialen had verzameld en afgevoerd, lag een kale steppe op de plek waar ooit de stad had gestaan. Van de uitgebrande ruïnes liet de Dienst Gemeentwerken er slechts drie laten staan: de Laurenskerk, het Schielandhuis en het Witte Huis, achtereenvolgens monumenten van de hoogtijdagen van de late middeleeuwen, de zeventiende eeuw en de negentiende eeuw. Met de andere gebouwen hadden de puinruimers de oude grachten dichtgegooid of men had de stenen afgebikt voor een nieuw gebouw op een nieuwe plek.

7. De vernietiging van een stad is de ideale voorwaarde voor archeologisch onderzoek. In het kielzog van de puinruimers volgden tientallen archeologen die de historische overschotten van de stad die soms al eeuwen onder de grond lagen verzamelden, schoonmaakten en beschreven. Dankzij de vernietiging van de stad konden de archeologen haar ontwikkeling van een vissersnederzetting op een dijk in de Rotte in de zevende eeuw tot een dichtslibbende metropool in de jaren dertig nauwkeurig in kaart brengen. Duizenden artefacten werden ondergebracht in het Schielandhuis, zelf ook een antiquarisch kleinood dat op miraculeuze wijze het bombardement en het puinruimen heeft overleefd. Ook al is het historische Rotterdam voorgoed verdwenen, er is geen stad die haar eigen geschiedenis met zo’n volledigheid voor de toekomst heeft vastgelegd.

8. Tijdens de oorlog was de oude binnenstad een vreemd en onbestemd niemandsland. Er stond een kilometerslange schutting omheen die werd bewaakt door de politie samen met de Wehrmacht. De enige ’bewoners’ waren de puinruimers die ’s ochtends vroeg de stad binnengingen en haar ’s avonds weer verlieten. Jarenlang hoorde men door de stad de ontploffingen weerklinken waarmee de resten van het centrum tot de laatste funderingspaal werden verwijderd. Naarmate de oorlog vorderde ging het puinruimen steeds trager; in het laatste oorlogsjaar lag het werk vrijwel stil. Om de schaarste van deze periode te verhelpen moesten de puinruimers in plaats van gebouwen af te breken voedsel kweken op de reeds geruimde vlaktes. Op de plek van het Hofplein, waar eerder het verkeer urenlang vastond tussen een zeventiende-eeuwse stadspoort, negentiende-eeuwse warenhuizen en een stationsgebouw, wuifde in de zomer van 1944 het graan.

9. Op een spionagefoto, genomen in 1944 vanuit een Engels RAF vliegtuig blijkt dat tussen de Westersingel en het Park in het westen, de Provenierssingel in het noorden en het DWL-terrein in het oosten, de stad één enorme desolate vlakte was. Door middel van de pennestreekonteigening werden door de regeringscommissaris van de wederopbouw J.A. Ringers ook alle administratieve sporen van de oude bebouwing weggevaagd. Elke herinnering aan het historische centrum was uitgebannen. Alles kon hier nu gaan gebeuren.

10. De bestuurlijke cultuur van de Duitse overheersers maakte een extreme versnelling mogelijk van de stedelijke ambities die Rotterdam al voor de oorlog koesterde: men wilde uitgroeien tot de miljoenenstad Groot Rotterdam. Rotterdam wilde naburige gemeentes zoals Schiedam en Vlaardingen annexeren, de haven radicaal uitbreiden en eigenlijk wilde men al vanaf het einde van de negentiende eeuw van het oude centrum af. In plaats daarvan moest er een nieuwe city gebouwd worden die meer in het geografische midden van Groot Rotterdam zou liggen.
De ’Reichskommissar für den Besetzten Niederländischen Gebiete’, Seyss-Inquart, steunde en faciliteerde deze ambities vanuit het standpunt van de ’Grossraumplanung’: "Im Hinblick auf die Entwicklung in weite Sicht ist zu überlegen, ob nicht ein Einfluss auf den Wiederaufbau Rotterdams in der Weise genommen werden soll, daß diese Stadt bei dieser einmaligen Aufbaugelegenheit das Gepräge einer grossen Hafenstadt des Germanischen Reichs erhält."
Rotterdam kon niet grootschalig genoeg worden aangepakt; het moest immers de toegangspoort van Das Reich worden. Niet langer gehinderd door democratische beslissingsprocedures kon men het onmogelijke beslissen: Rotterdam zou een nieuw centrum krijgen. Waar ooit een dam in de Rotte de oude stadsdriehoek grondvestte, zou een nieuw havenbassin gegraven worden: de Rottehaven.

11. Het radicale besluit van Ringers en Seyss-Inquart om de historische grond van het centrum te vergraven tot een havenbekken werd direct door de gemeentelijke diensten van Rotterdam en ook door de bevolking geaccepteerd. Men voelde het als de enige passende reactie op het collectieve trauma dat gevormd werd door de duizenden doden en de totale ontwrichting van de stedelijke samenleving. Het bouwen van een geheel nieuw stadscentrum was beladen met de hoop dat het de stadsgemeenschap weer bij elkaar zou krijgen. Het massaal aanvangen van dit megaproject had ook praktische redenen: door direct in het eerste oorlogsjaar te beginnen met het graven van de Rottehaven konden duizenden Nederlandse mannen en jongens behoed worden voor de Arbeitseinsatz. De afgegraven grond gebruikte men voor het dempen van enkele havenbekkens in het industriegebied tussen Rotterdam en Schiedam, dat herbestemd zou worden tot nieuw centrum: het Vierhavengebied en de Merwehaven.

12. Nadat het restant van de dienst Gemeentewerken eerst een ontwerp voor een nieuw centrum had gemaakt met conventionele stedebouwkundige middelen, besloot Ringers onder druk om de gebruikelijke bureaucratische procedures te omzeilen. Een groep moderne architecten en stedebouwers, waaronder Jo van den Broek en Wim van Tijen, ging direct samenwerken met degenen die het scherpst een visie op het toekomstige Rotterdam konden formuleren: de havenbaronnen en businesstycoons. Boven in het theepaviljoen van de Van Nellefabriek kwamen onder leiding van de verlichte kapitalist Charles van der Leeuw ondernemers en Nieuw-Zakelijke architecten bijeen om de stedelijke ontwikkeling een nieuwe kant op te sturen. Zij noemden zich de werkgroep Op.Ro (Opbouw Rotterdam)

13. Uit de notulen van de OpRo blijkt dat men niet terug wilde grijpen op beproefde stedebouwkundige middelen, maar dat men nieuwe vormen en methodes zocht om een stadsvorm te maken die direct voortkomt uit beweging, bedrijvigheid en handel. Het stedebouwkundige plan diende ruimte te laten voor constante vernieuwing. In plaats van mooie vogelvlucht-impressies en gevelschema’s tekende men verkeersschema’s.

14. In 1946 presenteerde Kees van Traa, directeur Gemeentewerken, het Basisplan voor de Nieuwbouw van de Binnenstad. De kades en pieren van de haventerreinen die zich uitstrekten tussen de Parkhaven en Schiedam werden schoongeschraapt en deels gedempt om plaats te maken voor het nieuwe stadscentrum. Het zwaartepunt werd gelegd in het Vierhavengebied. Het rangeerterrein van het goederenspoor bood plaats aan een nieuw station. Parallel aan de Lekhaven werd een nieuwe stadsboulevard aangelegd met het raadhuis, het postkantoor, de Beurs en de nieuwe Bijenkorf, die vroeger aan de Coolsingel hadden gestaan. Achter deze boulevard ontwierp men een strak systeem van bouwblokken. Deze werden later de basis voor de legendarische Keileweg, het experimentele stedelijke project van Van den Broek en Bakema. Daarin verlieten ze de gebruikelijke stapeling van winkels beneden met woningen erboven en ontwikkelden een model met een winkelstraat, alleen toegankelijk voor voetgangers, tegen een achtergrond van hoogbouwschijven met woningen. Verder arrangeerde Van Traa op de kades langs de rivier en in de havenbekkens een open bebouwing, gedomineerd door een zeer ruim aangelegde infrastructuur en een constant gezicht op de Maas en de haventerreinen aan de overkant.

15. Twintig jaar na de presentatie van het Basisplan liet de historicus Rein Blijstra in zijn stadsmonografie ’Rotterdam stad in beweging’ zien hoe de planners de nieuwe stad baseerden op een rationeel neergelegd raster van verkeerswegen en knooppunten. Hierdoor zou het regionaal en interregionaal verkeer door de stad vloeien en zouden bereikbaarheid en ruimte de belangrijkste kwaliteiten van het Rotterdamse centrum worden.

16. Hoogtepunt van het verkeerssysteem was het zogenaamde petroleumstel: een dubbelhoge rotonde die het verkeer verzamelde en naar een hoogte van 35 meter bracht om over de immense stadsbrug naar de overkant van de rivier te kunnen rijden, zonder daarbij de oceaanstomers te hinderen. Uit de ontwerptekeningen voor deze brug blijkt welk stadsbeeld Van Traa, Van der Leeuw en de andere protagonisten van de wederopbouw voor ogen hadden. Uiteindelijk zou dit plan niet worden uitgevoerd omdat alleen een extreem hoge brug geen barrière voor de steeds groter wordende schepen zou vormen. In plaats daarvan bouwde men in de jaren zestig een autotunnel onder de Maas en bleef waar het petroleumstel moest komen decennialang een lege vlakte over.

17. De planners zagen de stad als een tobbe van activiteiten in wisselende concentraties: als een soort vlaflip van functies, bijeengehouden door het raster van verkeerswegen. Welke vorm, architectuur of stadsbeeld de bebouwing opleverde was van later zorg; in het Basisplan werd slechts geregeld dat elke functie op zijn plek lag en dat de verschillende functies elkaar niet stoorden. Het lastige ratjetoe van woningen naast bedrijven en van representatieve gebouwen naast krottenwijken die in het historische centrum bestond mocht niet herhaald worden in het nieuwe verbeterde centrum.

18. De presentatie van het Basisplan in 1946 ging gepaard met talloze educatieve bijeenkomsten waarmee de Rotterdammers nog eens werden gesterkt in de overtuiging dat het nieuwe centrum een absolute historische noodzakelijkheid was. Tegelijkertijd werden ze bekend gemaakt met de nieuwe pleinen, wegen en vergezichten van hun aanstaande stadscentrum. Het Basisplan introduceerde zodoende niet alleen de op verkeer en economie gebaseerde beeldloze planning van de jaren zestig en zeventig, maar ook de met veel voorlichting en inspraak gepaard gaande planning van nu.

19. Het vooruitstrevende architectenbureau Van den Broek & Bakema, dat ook tijdens de oorlog betrokken was bij het bedenken van de nieuwe stad, gaf met een grote maquette haar eigen interpretatie van hoe de stad eruit zou kunnen gaan zien. Het bureau stelde gebouwen voor die door hun maat en door de manier waarop ze de infrastructuur volgden, zelf stedebouwkundige elementen zouden worden: honderden meters lang, tientallen meters hoog, met duizenden bewoners en talrijke stedelijke functies. Door middel van de zogenaamde enthoscoop kon men foto’s maken van de maquette op ooghoogte. Op deze foto wordt getoond hoe de stad zich zou aandienen als men aan de overkant van de rivier zou staan bij de werf van de Rotterdamse Droogdok Maatschappij op Heijplaat.

20. Aan het einde van de jaren veertig begonnen de noodwinkels die tijdens de oorlog waren opgericht op de plek van het nieuwe centrum te wijken voor de eerste grote gebouwen. De nieuwe stad begon werkelijkheid te worden. Een van de eerste straten die een vaste contour kreeg was de Vierhavenstraat, de grote stedelijke boulevard die voor het station langs liep.

21. De moderne architecten die tijdens de oorlog bij elkaar werden geroepen om over de vorm en de functie van de nieuwe stad na te denken, zouden na de oorlog de kans krijgen hun experimentele ideeën te realiseren in een serie grote en nieuwsoortige gebouwen. Eén van de bureaus die daar sterk van heeft geprofiteerd was dat van Van Tijen en Maaskant, die in 1950 aan de Schiedamseweg een massief, maar state of the art industrieverzamelgebouw deden verrijzen.

22. In de jaren zestig toen de wederopbouw zijn hoogtepunt bereikte verviel de allesbepalende noodzaak tot soberheid en functionaliteit. De hypermoderne stad begon zich van zijn luxueuze kant te laten zien. Na zijn afsplitsing van Van Tijen, zou Huig Maaskant de meest overtuigende monumenten bouwen voor het zich in zijn nieuwheid wentelende Rotterdam. In 1962 bouwde hij aan de Westzeedijk, pal aan de Maas, het travertijnen Hilton hotel, rijk gedetailleerd met glas, aluminium en bladgoud. In een krachtige melange van Frank Sinatra, James Bond en Mies van der Rohe, en door het spectaculaire uitzicht over de Maas vanuit de lounge op de eerste verdieping, werd het één van Rotterdams favoriete hang-outs.

23. Toen Koningin Juliana in 1965 de nieuwe stad ’opende’ had men met terugwerkende kracht de traumatische en controversiële beginfase van de wederopbouw van Rotterdam getransformeerd tot een heroïsch verhaal. Rein Blijstra, de historicus die zich opwierp als propagandist van het Basisplan, schreef in dat jaar het volgende: "Alles wat naar parade, machtsvertoon, heerszucht zweemt, is zorgvuldig vermeden. In het stadsplan is het levensbeginsel van de democratie ’allen voor allen’, na jaren van onderdrukking herleefd. Dit geschiedde niet alleen in overeenstemming met het karakter van ons volk, het was voorgeschreven door de historische omstandigheden. Het stadsplan van Rotterdam is een bevrijdingsplan."

24. Dat het nieuwe Rotterdam bevrijdend werkte op zijn inwoners werd vanaf de jaren zeventig niet meer aanvaard. Een nieuwe generatie politici en stedebouwers, die de oorlog niet bewust had meegemaakt, kwam in opstand tegen de verticale en horizontale lege vlaktes waar de stad uit was opgebouwd, tegen de constante open confrontatie met de wereldhaven en vooral tegen het ontbreken van een gezellig stadscentrum dat de stedeling een gevoel van intimiteit en identiteit zou geven. De heimwee naar het oude Rotterdam had één generatie overgeslagen en gaf veertig jaar na dato aanleiding tot een bizar stedelijk project. Op de lege vlakte, die was overgebleven nadat men in de jaren zestig in plaats van Van Traa’s petroleumstel een autotunnel onder de Maas had aangelegd, bouwde men aan het einde van de jaren tachtig een precieze replica van een fragment van het oude Rotterdam. De ruines van het witte huis en van een rijtjes zeventiende-eeuwse koopmanshuizen stonden nog aan het eind van de Beatrixpier in de Rottehaven. Men brak ze af en bouwde ze op, maar dan in hun originele staat, boven de autotunnel in het nieuwe centrum.Na bestudering van oude foto’s voegde men er een mooie oude kade, een mooie oude draaibrug en mooie oude boten aan toe.

25. Naast de gereconstrueerde Scheepmakerhaven verrees enkele jaren later een monument met een geheel tegenovergestelde romantiek. Het Pathéplein, ontworpen door de jonge landschapsarchitect Adriaan Geuze, was een reactie op anderhalf decennium van kleinschaligheid, gezelligheid en nostalgie. Alweer sloeg de heimwee een generatie over en verlangde een jonge generatie ontwerpers naar de nieuwheid, de moderniteit en de leegte van het Rotterdam zoals dat in de jaren vijftig en zestig uit de grond was gestampt. Naarmate de stad haar imago van werkstad probeerde te verruilen voor een meer cultureel, op vermaak en wonen gerichte identiteit, werd het pragmatische, maritieme en moderne karakter van Rotterdam geïdealiseerd en omgezet in futuristische, romantische beelden. Het Pathéplein is hiervan het hoogtepunt: het bestaat uit een van onderaf met neon belicht aluminium platform, onderbroken door houten platen en epoxy vlaktes. Het is expliciet op de jeugd gericht, die er skateboard, rondhangt en naar de film gaat. De ouderen mogen op de tientallen meters lange banken zitten en kiezen of ze naar de actie op het plein kijken of naar de RDM-werf en de Europe Container Terminus (ECT) aan de overkant van de rivier. De grote havenkranen die de horizon beheersen worden in herinnering gebracht door de vier menie-rode lantarens die het plein uitlichten.

26. Om Rotterdam echt op de kaart te zetten als een hypermoderne culturele metropool was zwaarder geschut nodig dan een modern plein aan de rivier. Het eerste wat men sinds 1998 ziet vanuit de grote glazen hal van het Centraal Station is het Rotterdam Guggenheim Museum naar ontwerp van Frank Gehry; een gebouw zo vreemd, zo onvergetelijk, zo strijdig met natuurwetten, zo virtuoos ontworpen door zo’n beroemde architect, dat het centrum van Rotterdam ineens op de covers van duizend en één internationale architectuur- en designtijdschriften pronkt, bij reisprogramma’s wordt genoemd en inderdaad honderdduizenden toeristen trekt.
Het gebouw was controversieel: men moest het Groothandelsgebouw van Huig Maaskant ervoor afbreken, een gebouw dat sinds zijn opening in 1953 als symbool van het herrezen Rotterdam gold. Wat men er voor terug kreeg werd door de criticus van het Rotterdams Dagblad vergeleken met de verwrongen resten van een neergestorte UFO. Al tijdens de bouw werd het echter door de Rotterdammers en de toeristen in het hart gesloten. Sommigen zagen er een prachtige bloem in, anderen een zilveren gebakje, weer anderen een aangrijpend monument voor hoe de stad als een phoenix uit de as was opgestaan.
Met één gebaar was Rotterdam beroemder dan Amsterdam. Met het Guggenheim maakte Rotterdam zich eindelijk los van haar wederopbouwgeschiedenis om opnieuw als een geschiedenisloze stad de 21e eeuw in te gaan. De bekende Nederlandse architectuurcriticus Bart Lootsma vatte het zakelijk samen: "De opening van het Guggenheim Museum van Frank Gehry ging gepaard met veel politiek tumult. De onrust werd veroorzaakt door de miljoenen die de havenstad heeft moeten investeren in een culturele onderneming die door velen als zuiver Amerikaans wordt gezien. Maar het gebouw zelf kon alleen in Rotterdam ontstaan, terwijl het de regio tegelijkertijd aantakt aan het internationale, culturele netwerk."

27. De Rottehaven was in de jaren negentig één van de oudere havenbekkens geworden van een havenareaal dat zich inmiddels tot ver in de Noordzee uitstrekte en nog verder uitgebreid zou gaan worden. Toen tijdens de oorlog de Rottehaven gegraven werd voorzag men grootschalige installaties voor de overslag tussen zeeschepen, goederentreinen, wegvervoer en vooral de binnenscheepvaart. Op de pieren en in de omgeving van het havenbekken zouden moderne en architectonisch verantwoorde bedrijventerreinen worden aangelegd. Op onverwachte plekken dienden zich echter nog steeds de sporen aan van het oude stadscentrum. De westelijke grens van het Rottehavengebied wordt gevormd door de Westersingel. De negentiende eeuwse herenhuizen, staand aan de oevers van een arcadische waterpartij met treurwilgen en eenden, kijken nu uit over een spoorwegtalud, een brede verkeersweg, havenloodsen, kranen en kleurrijke stapels containers. Ooit waren de herenhuizen en het water aangelegd als onderdeel van het zogenaamde Waterproject, een hygiënistisch en stedebouwkundig project waarmee de stadsbouwmeester W.N. Rose halverwege de negentiende eeuw het dichtslibbende stadscentrum trachtte schoon te spoelen. Hij kon niet vermoeden dat het water ook de vuurstorm zou stoppen en zo de westelijke brandgrens van mei 1940 zou bepalen. In plaats van de advocaten, antiquairs, herensociëteiten en notabelen die voor de oorlog de groene stadswandeling bevolkten, zijn de herenhuizen nu gevuld met perifere functies als rederijkantoren, douaneposten, garagebedrijven en andere functies die profiteren van de spin-off van ’Nederland Distributieland’.

28. Een ander rudiment van de oude stad, midden in de Rottehaven, is het Schielandhuis. Het werd in de zeventiende eeuw gebouwd naar een ontwerp van Pieter Post als hoofdkantoor van het Hoogheemraadschap Schieland. Voor de oorlog functioneerde het als onderkomen voor het Museum Boijmans. Eind jaren dertig schonk de havenbaron Van Beuningen zijn collectie aan het museum en d stadsarchitect Van der Steur bouwde hiervoor een nieuw onderkomen op het Land van Hoboken dat het Museum Boijmans Van Beuningen ging heten. Het Schielandhuis werd in zijn oorspronkelijke staat gerestaureerd, een project dat enkele maanden voor het bombardement voltooid werd. Na 14 mei 1940 stonden nog slechts de muren van het gebouw overeind, maar met de bouwttekeningen van enkele jaren terug werd het in 1949 nogmaals gerestaureerd. Sindsdien staat het Schielandhuis als een geparachuteerd fragment tussen de loodsen, boten, kranen en containers van Pier 2 in de Rottehaven. Het huisvest het Historisch Museum van oud-Rotterdam waar een uitputtend archief en een wat aftandse tentoonstelling over de opkomst en ondergang van het oude Rotterdam weinig bezoekers maar veel onderzoekers trekken.
Aan de skyline van de Rottehaven staan drie identieke wit-marmeren kantoortorens van honderd meter hoog. Het is het Europoint-complex dat eind jaren zeventig aan de Schiekade is gebouwd naar een ontwerp van het Amerikaanse architectenbureau Skidmore, Owings & Merrill. Oorspronkelijk had men het kolossale complex in het hart van het nieuwe centrum gepland, in de Merwehaven. Maar de bestuurders, omgezwaaid naar stadsvernieuwing en kleinschaligheid, wilden niet nog een ’erectie van het grootkapitaal’ toevoegen aan de stad en verbande de drie torens naar de periferie. De torens huisvesten de Dienst Stedebouw en Volkshuisvesting, de dienst Gemeentewerken en het Havenbedrijf. Uitgerekend het havenbedrijf zal binnenkort de torens verlaten voor een nieuw gebouw in het centrum. Het wenst niet geassocieerd te worden met een ouderwetse wederopbouwhaven, maar wil zich juist mengen tussen de hoofdkwartieren van de multinationals aan de Vierhavenstraat en de Westzeedijk.

29. De beslissing om het centrum niet op de historische plek weder op te bouwen, maar er de Rottehaven aan te leggen heeft vooral het gebied achter de Westersingel sterk getroffen. Het heeft een stempel gedrukt op de ontwikkeling van zowel de welgestelde delen als de volksbuurt het Oude Westen.
Het eerst werd deze invloed zichtbaar in de straten die grensden aan het Land van Hoboken. Juist dit gebied, een voormalig landgoed, was vlak voor de oorlog veranderd in één van de meest luxueuze en prestigieuze stadsdelen. Het hoofdkwartier van de Nederlandse multinational Unilever was er gebouwd, een wolkenkrabber van het energiebedrijf en het nieuwe museum Boijmans Van Beuningen dat een belangrijk attractiepunt vormde. Aan de Mathenesserlaan, de Nieuwe Binnenweg, de Rochussenstraat en de Breitnerstraat verrezen honderden luxueuze, ruime appartementen. Het gebied was eventjes het Rotterdamse equivalent van de Amsterdamse Concertgebouwbuurt. Dat veranderde toen direct na de oorlog de context van de buurt uit haven en industrie ging bestaan. De appartementen werden opgedeeld om drie of vier arbeidersfamilies te huisvesten; het Unilevergebouw hield het na enkele jaren voor gezien en verkocht haar gebouw aan de Scheepvaartvereniging Zuid. Ook het museum Boijmans Van Beuningen verliet de achteruitgaande buurt en daarmee haar gebouw, dat nog geen twintig jaar dienst had gedaan. Dezelfde bouwmeester, A. van der Steur, ontwierp een nieuw museum bij het nieuwe centrum, op de plek die vrijkwam toen in 1951 de noodwoningen van Witte Dorp werden gesloopt.

Voor de arbeidersbuurt het Oude Westen betekende de Rottehaven in de eerste decennia na de oorlog een enorme bron van werkgelegenheid. De Rottehaven leverde een overvloed aan banen op voor de ongeschoolde bewoners van de wijk en hun families, zozeer zelfs dat deze wijk ook de eerste golven gastarbeiders huisvestte en Nederlands eerste multiculturele wijk werd. Door de veranderingen in de havenontwikkeling zou het echter ook Nederlands eerste, ergste en bekendste achterstandswijk worden. Vanaf de jaren zeventig verschoven de havenactiviteiten steeds meer naar het westen, naar het Botlekgebied en naar de Maasvlakte. Bovendien verminderde de containerisatie de arbeidsintensiviteit van de haven. De Rottehaven veranderde in een overslaghaven voor de binnenscheepvaart met daaromheen goedkope en kleinschalige bedrijfsterreinen. Voor het Oude Westen betekende dat toenemende werkloosheid, armoede, leegstand en uiteindelijk ook criminaliteit. Lege, niet onderhouden panden zijn gekraakt door drugsgebruikers en dealers. De Mathenesserlaan, ooit Rotterdams meest chique boulevard, wordt nu overheerst door dichtgetimmerde winkelpanden, bordelen, nachtelijke schietpartijen en één keer in de zoveel dagen een politieactie met helicopters en een televisieploeg. Terwijl in het centrum het Guggenheim museum duizenden toeristen trekt, proberen de bewoners van het Oude Westen met geweld auto’s met buitenlandse nummerplaten uit hun wijk te weren.

30. Parallel aan de stadsvernieuwing, het opzoomeren en het grotestedenbeleid waarmee men van overheidswege naarstig tracht de woonwijken bewoonbaar te maken, ontwikkelt het gebied rond het oude museum Boijmans zich tot een hybride stedebouwkundig grensgebied. De honderden meters lange loodsgebouwen van Van Gend en Loos en Pakhoed staan al jaren voor vijftig procent leeg, over het havenspoor rijdt hoogstens twee keer per dag een locomotief. Andere activiteiten floreren echter: de havenkantoren en pakhuizen zijn ingenomen door architecten, grafisch vormgevers en kunstenaars. Uiteraard bevinden zich hier ook de louche café’s, garageboxen met dubieuze inhoud en de wegroestende boten met onduidelijke Afrikaanse registraties.
Het museum dat in 1951 leegkwam vormt een fysiek en programmatisch baken en centrum in dit economische en sociale restgebied. Nadat het aanvankelijk als verzamelgebouw werd hergebruikt voor bedrijven die aan de haven waren gerelateerd, werd het in de jaren tachtig gekraakt door een groep kunstenaars die ateliers inrichtten en tentoonstellingen organiseerden. De gemeente legaliseerde deze bestemming kort geleden en verkocht een hele vleugel aan Atelier van Lieshout. Daarmee erkent de gemeente dat het gebouw een ventiel is voor stedelijke activiteiten, die in de mooie en lucratieve binnenstad en in de sociaal gevoelige woonwijken als lastig worden beschouwd, maar toch onvermijdelijk bij een grote stad horen. Om de stad een perfecte weerspiegeling te laten zijn van de politieke agenda, moeten de verschijnselen die daarmee strijdig zijn afgezonderd worden in oncourante stadsdelen.
Discreet verscholen op de binnenplaats van het oude Boijmansgebouw vinden we het duidelijkste voorbeeld van dit nieuwe, pragmatische beleid: de gedoogzone voor heroïneprostitutie. Omdat de tippelaarsters op ’perron nul’ voor een onaangename sfeer zorgden achter het Centraal Station, voorzag Gemeentewerken ze van een voorziening waar ze uit het zicht van de mooie stad in redelijke veiligheid hun werk kunnen doen. De voorziening, ’afwerkplaats’ genoemd, bestaat uit een infrastructureel complex van verkeersborden, plantenbakken, asfalt, stoeptegels, witte pijlen, rode neonlichten, hekwerk, luifels, schotten, officiële en officieuze regels die een efficiënte afwikkeling van het verkeer en de handelingen mogelijk maakt. Het gaat open zodra het nieuwe kunstcentrum dichtgaat en trekt per dag gemiddeld 200 bezoekers voor f 50,- per beurt.






What If?, exhibition at Boijmans Van Beuningen Museum, Rotterdam, 1999