BNSP 2020
lecture by Michelle Provoost / text by Mike Emmerik, Michelle Provoost, Wouter Vanstiphout
JPEG - 122.7 kb
source: BNSP/NVTL. Photo: Geert van der Wijk

Laten we beginnen met een opsteker: De Nederlandse stedenbouw heeft een goeie reputatie, wereldwijd en eeuwenoud. Daartegenover staat echter dat die reputatie op dit moment vooral op resultaten uit het verleden is gebaseerd, en dus ook geen garantie biedt voor de toekomst van ons land.

Het zou verleidelijk zijn om te verwachten dat we weer voor een gouden eeuw van stedenbouwkundig elan en schitterende projecten staan. De economie draait als nooit tevoren en er is een enorme opgave. Er lijkt een consensus te bestaan dat er een miljoen woningen gebouwd moeten worden en meer dan de helft hiervan, 600 duizend woningen, zou al vóór 2026 gerealiseerd moeten worden. Nederlandse ontwerpers zijn over de hele wereld bekend en gewild. Hoe kan dit niet leiden tot een nieuwe generatie steden en wijken die de vergelijking aan kan met die van de jaren twintig en dertig, die van de naoorlogse jaren, de stadvernieuwing uit de jaren zeventig of de Vinex?

Onze stedenbouwkundigen staan niet alleen bekend als kundig ontwerpers, maar vooral ook als een discipline die maatschappelijke opgaven weet te vertalen naar ontwerp en die proactief is. Die zogenaamde Dutch approach bestaat al een hele tijd. De grote ruimtelijke ordenings- en stedenbouwkundige projecten van de afgelopen eeuw hadden alle een sterke verbondenheid met de maatschappelijke opgaven en doelen van die tijd. Honderd jaar geleden was dat bijvoorbeeld het beroemde plan van Berlage voor Amsterdam-Zuid; een ruimtelijk ontwerp dat alleen te begrijpen is als de vorming van een burgerlijke klasse en de emancipatie van de arbeidersklasse, gesymboliseerd door de Amsterdamse School architectuur.
Of de naoorlogse wijken waarmee in de jaren vijftig en zestig alle Nederlandse steden werden uitgebreid, en die in hun hoekige compositie van stroken en flats de open samenleving vorm wilden geven, met lucht, licht en ruimte voor iedereen en de wijkgedachte als middel om iedereen bij de gemeenschap te betrekken.
De groeikernen uit de jaren zeventig kun je beschrijven als een miljoen woningen, maar ze waren daarnaast ook het typische product van het politieke streven naar een egalitaire samenleving: een huis met een tuin en een auto voor de deur, de democratisering van het goede wonen. Niet in een strak raster, maar in een organisch kronkelend patroon als van een bloemkool. De middenklasse kon ineens wonen zoals voorheen alleen de dokter of de notaris woonden. De groeikernen zijn zo bekeken het equivalent van de Mammoetwet, die het onderwijs democratiseerde en toegankelijk maakte voor iedereen.
Ook de Vinexwijken kun je beschrijven als (bijna) een miljoen woningen, maar ook daar zit een bepaald maatschappelijk beeld achter. Gepland volgens het concept van de compacte stad ging het Vinexproject -in tegenstelling tot de groeikernen- uit van een hoge waardering van stedelijkheid; de wijken werden gebouwd voor de automobiele, individualistische netwerkstedeling met het comfort van de suburb en met de voorzieningen van de stad. Het individualisme zie je terug in de veelvormige architectuur.

De geschiedenis van de stedenbouw is echter niet alleen vraaggestuurd. En aanbod wordt niet in de eerste plaats bepaald door de hoeveelheid ontwerpers op een gegeven moment. Er is nu immers één groot verschil met de eerder genoemde voorbeelden en dat is dat er gedurende de grote golven van stadsuitbreiding vanaf de Woningwet tot en met de Vinex, een grootschalig en integraal rijksbeleid bestond, dat als een moederschip alle lokale projecten voedde, plande en de uitvoering ervan garandeerde.

Het mag dan zo lijken dat de Nederlandse stedenbouw als een dronken matroos heen en weer zwalkte tussen kleinschaligheid en grootschaligheid, tussen stad en suburb, tussen bouwen in het weiland en in de binnensteden en tussen de markt en de overheid, en dat iedere periode van stedenbouwkundige vernieuwing een allergische reactie op de resultaten van de vorige is. Dat klopt, maar tegelijk is er op een ander niveau juist sprake van een enorme continuïteit, die al sinds Thorbecke een perfecte afspiegeling in steen en ruimte is van de “gedecentraliseerde eenheidsstaat” die Nederland is. Die continuïteit werd gedragen door de instituties, zoals planningsdiensten op alle bestuurlijke niveaus, door de wetgeving met als bekendste onderdeel de Woningwet, door het onderwijs van architecten en stedenbouwkundigen - niet tot artistieke eenlingen of geïsoleerde academici, maar tot woning- en stadstechnische ingenieurs. Die continuiteit werd ook gedragen door een maatschappelijke consensus die zei dat de kwaliteit van ons bestuur afgelezen kan worden aan de kwaliteit van de openbare ruimte, de bereikbaarheid van stad en land en de beschikbaarheid van woningen en tenslotte doordat architectuur, stedenbouw en landschap werden ondersteund als een belangrijke vorm van cultuur die voor iedereen toegankelijk is en waarmee Nederland internationaal vooraan wilde lopen.

Nu zijn niet al deze pilaren omgevallen, maar ze staan niet meer zo stabiel als vroeger. De volkshuisvesting en de ruimtelijke ordening zijn met de decentralisatie in 2011 in een relatief kort tijdsbestek van de agenda van de nationale politiek afgeschoven, voor het eerst in meer dan een eeuw. Volkshuisvesting is daarbij ook nog eens op een grove wijze aan speculatie overgeleverd, waarbij sociale woningbouw is gereduceerd van een publieke infrastructuur tot een vangnet voor de allerarmsten, doordat corporaties zich sinds 2015 alleen nog met hun kerntaak mogen bezighouden; het huisvesten van mensen met een laag inkomen. Het architectuurbeleid is onder de ‘creatieve industrieën’ geschaard en daarmee ontkoppeld van het ruimtelijke beleid in Nederland zelf. Architectuur wordt als een commerciële activiteit gezien en niet meer als een culturele. Universiteiten zijn verworden tot steeds meer op rankings en schaalvergroting gerichte instituten en dwalen steeds verder af van de werkelijke maatschappelijke vragen en politieke discussies die smeken om een ontwerpersperspectief.

Het gaat hier dus om veel meer dan een privatisering of een liberalisering van het systeem. Dat is een golfbeweging die er altijd is geweest, tussen een primaat van de markt of een primaat van de overheid. Daarbij bleef echter altijd de rijksoverheid en het samenspel tussen de instituties in enige vorm overeind. Wat we nu zien gaat verder. We zien een diepere afkalving dan ooit, niet alleen van de invloed maar ook van de interesse van de rijksoverheid. Daardoor is een versplintering van het ruimtelijke ordeningssysteem en de volkshuisvesting ontstaan, die nieuw is.

Door de afwezigheid van een door het Rijk geregisseerde maatschappelijke en economische consensus heeft deze verspintering geleid tot een soms nogal beperkte taakopvatting van veel stedenbouwkundigen. Ze doen nu uiterst nuttig werk binnen gemeentelijke diensten of bureaus, maar dikwijls is hun bijdrage gereduceerd tot dienstverlening aan projectontwikkelaars en grondbedrijven. Hun aloude taak van agenderen, vergezichten schetsen, nieuwe ruimtelijke kwaliteiten beschrijven en deze leidend laten zijn voor de inzet van markt en overheidskrachten, is zo goed als verdwenen. Ook van hun taak van futuroloog in publieke dienst is niet veel meer over. In plaats daarvan stelt de stedenbouwkundige zich steeds vaker op als procesmanager of mediator die op zoek gaat naar een plan dat de wensen van zo veel mogelijk verschillende partijen integreert, wat dikwijls resulteert in een middelmatig ontwerp.
Niet dat er geen fantasievolle schaalsprongen of zelfs utopische steden meer worden getekend. Dat gebeurt meer dan ooit. Maar deze fantasiesteden van MVRDV, OMA, Zaha Hadid of Bjarke Ingels zijn losgezongen van de werkelijke debatten over steden of ze zijn puur gericht op commerciële ontwikkelingen in niet-democratisch bestuurde overzeese gebieden. De verbeelding van de stedenbouwkundige is met andere woorden freischwebend geworden, is niet meer ingebed en verbonden aan politieke en uitvoerende partijen en daarmee dreigt betekenisloosheid.

Een ander effect van de versplintering van de ruimtelijke ordening als een publiek veld, is het gebrek aan diepgang van belangrijke discussies, en daarmee hun polarisatie en politisering. Zo is er een idiote zwart-wit discussie ontstaan tussen het inzetten van alle economische middelen op Amsterdam of de Randstad, versus op Nederland als geheel. Deze discussie heeft de diepgang en effectiviteit van de rivaliteit tussen Ajax en Feijenoord. Een andere, belangrijkere, discussie die even zeer verzandt in karikaturale tegenstellingen is die over het hoe, wat en vooral het waar van de miljoen woningen die nodig zijn. Er zijn partijen die zeggen dat alle benodigde woningen binnenstedelijk, groen en duurzaam gebouwd kunnen en moeten worden, met veel restricties, regulering en repressie terwijl dan vaak voorbij wordt gegaan aan de complexiteit van dit type bouwprojecten. En er is een groep die zegt dat alle restricties, regulering en repressie opgeheven moet worden, omdat de getergde bouwondernemers dan pas hun potentie kunnen vervullen om in no time alle Nederlanders aan een grondgebonden koophuis te helpen, in het Groene Hart.

De discussie over de miljoen woningen gaat zo ten onder in hetzelfde moeras als waarin discussies over integratie, de snelheidslimiet, vuurwerk en Zwarte Piet gisten en kwade dampen doen opborrelen. Serieuze studies, verbeeldingsrijke modellen, autoritatieve stellingen en integrale oplossingsrichtingen zijn ver te zoeken. Daarvoor is het institutionele landschap te versplinterd en geatomiseerd geraakt. De aanbodzijde is niet in staat om aan de maatschappelijke vraag te voldoen.

En dat is jammer; want de maatschappelijke vragen die nu op de stedenbouw afkomen zijn van een grootsheid en een meeslependheid die we eigenlijk sinds de wederopbouw en het uitrollen van de welvaartsstaat niet meer gekend hebben. Voor een land als Nederland met haar traditie van optimisme, planning, ontwerp en haar decentrale eenheidsstaat die zelfs de meest grootschalige transformaties kan inbedden en draagvlak geven, zouden dit gouden tijden moeten zijn.

Wat komt er immers allemaal op ons af? Ten eerste is er de vraag àchter de vraag om een miljoen woningen: de bevolkingsgroei en de toenemende rol die migratie daarin inneemt. Een bevolkingsgroei door migratie stelt immers totaal andere eisen aan een land en een stad, dan één die zuiver wordt gestuurd door de vruchtbaarheid van de zittende bevolking. We weten bovendien dat de migranten vooral arbeidsmigranten en expats zullen zijn, die slechts voor een bepaalde, kortere of langere tijd in Nederland blijven. We zullen een miljoen woningen moeten bouwen, met alles wat daarbij hoort aan werk, recreatie, cultuur, zorg en onderwijs en andere sociale voorzieningen voor een dynamische, vlottende bevolking, voor een maatschappij van komen en gaan. Authenticiteit, saamhorigheid en solidariteit zullen juist steeds belangrijker worden als programmaonderdeel van de stedenbouw, want ze zullen niet meer of veel moeilijker vanzelf ontstaan.

Een tweede opgave die nu onvermijdelijk op ons afkomt is die van het klimaat. En ook achter de conventionele vraag van ‘klimaatbestendig bouwen’ of ‘energietransitie’ gaat een veel grotere vraag schuil, namelijk die van een stedelijke economie en een stedelijke maatschappij die niet alleen klimaatbestendig is maar duurzaam op de meest fundamentele manier: die op een totaal andere manier met grondstoffen, energie en arbeid zal omgaan. Het is niet genoeg om passieve huizen met sedum-daken in een wadi te bouwen; we zullen moeten nadenken over wat er komt ná de hoogovens, ná Schiphol, na de haven van Rotterdam, ná de auto, ná het energienet, ná de wegwerpmaatschappij. Natuurlijk zijn de keuzen die gemaakt zullen worden erg afhankelijk van de politiek. Maar de stedenbouw kan proactief nadenken over hoe Nederland eruit kan zien. Deels gebeurt dat ook al: het nieuwe landschap met de hernieuwbare en decentrale energiebronnen die veel zichtbaarder zullen zijn dan nu, de gevolgen van de elektrische auto voor de stedelijke inrichting, maar ook de verhouding tussen stad en natuur, niet als contrast maar als symbiose, de gevolgen op regionale schaal van lokale productie en consumptie, etcetera etcetera.

Een derde golf die we zien aankomen is van een economisch-politieke aard. Net zo goed als Nederland een land is dat nog steeds verslaafd is aan de fossiele economie, terwijl ze heel goed weet dat dit een rampzalige achterhoedepositie met zich meebrengt, is ons ruimtelijk ordenings- en volkshuisvestingsbeleid verslaafd geraakt aan vastgoed als een speculatieobject. We moeten ons realiseren dat de grote spelers in het veld belangen hebben die niet alleen anders, maar zelfs tegengesteld zijn aan de publieke belangen. Namelijk: ze hebben belang bij schaarste op de woningmarkt, die hun product sneller doet verkopen voor een hogere prijs. Men noemt dat: ‘een gezonde spanning’ op de woningmarkt. Maar hetzelfde geldt voor private huizenbezitters, u en ik dus, wiens stijgende woningwaarde hun eigen economische onzekerheid compenseert, maar daarbij de kansen van anderen – waaronder hun kinderen – om fatsoenlijk te wonen verkleint.

Misschien is er wel een grote verandering op til en komt er een einde aan de woning als speculatieobject. Dat is geen voorspelling van revolutionair links, maar was te lezen in het invloedrijke Engelse tijdschrift The Economist. Sinds 1843 is The Economist al het clubblad van het laissez faire kapitalisme. Onlangs wijdde het een speciaal nummer aan “The Horrible Housing Blunder”, waarin ze de obsessie van de westerse wereld met het bezitten van een eigen huis aanwijzen als een structurele bedreiging van onze welvaart en van het publieke geloof in het kapitalisme. Het subsidiëren van woningbezit en de lage rentes drijven de huisprijzen op, het drukt de productie van nieuwe woningen omlaag en creëert een fatale ongelijkheid tussen de generatie van woningbezitters en de generatie van huurders op een schaarse en peperdure huurmarkt. Willen het kapitalisme en de democratie overleven, dan zal van hogerhand hard ingegrepen moeten worden in de woningmarkt, aldus de Economist. De enige remedie is het bouwen van een enorme hoeveelheid woningen in korte tijd, een project waarvoor een enorme inzet van politiek en financieel kapitaal nodig is. Huren moet weer dezelfde status krijgen als kopen en beide vormen moeten bereikbaar worden voor iedereen, anders stort het systeem in. Nogmaals: aldus de Economist.

Maar we weten ook dat het “gemakkelijker is om het einde van de wereld voor te stellen, dan het einde van het kapitalisme”. En ook al gaat het hier niet om de hele economie, maar slechts om het ruimtelijke deel; een overtuigend integraal alternatief voor de neoliberale woningmarkt hebben we nog niet gezien. En toch is dit net zo noodzakelijk als de twee voorafgaande kwesties van migratie en klimaat. Misschien gaat het er zelfs aan vooraf, omdat de economische ongelijkheid en de politiek-economische grilligheid die door de vastgoed-gedreven permanente crisis van het kapitalisme worden veroorzaakt, het bijna onmogelijk maken om maatschappelijk draagvlak voor grote transformaties te vinden.

Deze drie grote onderwerpen -migratie, klimaat en economische gelijkheid- vereisen naast heel veel andere dingen ook de verbeeldingskracht van stedenbouwkundigen en ontwerpers. De mate waarin aan deze maatschappelijke opgaven gestalte wordt gegeven zal de omgevingskwaliteit en de leefbaarheid van onze steden, dorpen en alles daartussen gaan bepalen. Ook al hebben we nu een nieuwe Omgevingswet, dat wil nog niet zeggen dat we een maatschappelijke visie hebben voor Nederland op langere termijn. We hebben wel de regels en het proces vastgelegd maar nog niet waartoe we ze willen aanwenden.
De Omgevingswet is een kaderwet, een herorganisatie van bestaande wetten die het nemen van inhoudelijke beslissingen uitstelt of delegeert naar lokale overheden. Een nieuw ruimtelijk beleid zal dus niet ontstaan vanuit de Omgevingswet; het zal moeten komen vanuit het willen beantwoorden van grote maatschappelijke vragen. 

Hoe willen we dat ons land eruitziet in 2050, hoe willen we samenleven, hoe willen we wonen, onze vrije tijd besteden? Een integrale visie dus, waarin niet alleen de kwantiteit van de woningen wordt benoemd. Het woonakkoord dat minister Kajsa Ollongren in 2018 sloot met woningcorporaties, bouwers, makelaars en vastgoedinvesteerders, waarin werd afgesproken dat er tot 2025 jaarlijks 75.000 woningen gebouwd moeten worden, zegt weliswaar wat over de aantallen, maar doet nog weinig uitspraken over de kwaliteit van deze nieuwe woningen en wijken. In hoeverre geeft de woningproductie antwoord op de maatschappelijke vragen achter de woningvraag? Dat zal de uiteindelijke kwaliteit ervan bepalen.

Nieuwe stukken stad die onze bestaande steden sterker maken, er een bijdrage aan leveren met verschillende vormen van stedelijkheid. Natuurlijk is er een diversiteit aan typen woningen nodig, gebouwd met innovatieve duurzame technieken en materialen, en ontwikkeld door een breed scala aan spelers. Wijken die rekening houden met tijdelijke bewoning, met dynamische migrantengroepen, die duurzaam zijn en energie-opwekkend, en die niet gebaseerd zijn op marktwerking maar op het algemeen belang.

Juist in de discussie rondom de kwaliteit, uitgedrukt in termen van maatschappelijke visie en verbeeldingskracht, zou de beroepsgroep van stedenbouwkundigen zich meer moeten doen gelden. Het wordt tijd om het vertrouwen in de kracht van ontwerp als motor voor verandering terug te winnen en net als in de naoorlogse jaren, de groeikernen en de stadsvernieuwing, en tot slot de ViNEX, toekomstperspectieven te schetsen voor de stad van de toekomst.

Misschien dat de Omgevingsvisie, die iedere gemeente nu verplicht is te maken, hiertoe de mogelijkheid biedt. Dit is immers de uitgelezen plaats voor een toekomstbeeld en zou het vehikel kunnen zijn om ideaalbeelden mogelijk en concreet te maken. Om heel precies richting te geven aan hoe we migranten van allerlei soorten onder willen brengen, hoe we radicaal anders met het klimaat en energie om kunnen gaan en hoe we gebieden kunnen ontwikkelen die niet lijden onder economische ongelijkheid, maar die als springplank voor hun bewoners kunnen dienen. Andere ontwerpvraagstukken die zich aandienen zijn bijvoorbeeld de relatie die steden hebben met hun achterland: qua voedselproductie, werkgelegenheid, natuur of energie. Of het ontwerp van de stadsrand: hoe bouw je daar nieuwe stadsdelen; geen woonwijken, maar echte stukken stad, integraal, dicht en divers en goed verbonden met de bestaande stad, zodat ze het opofferen van delen van ons groen dubbel en dwars waard zijn. Of een laatste voorbeeld: kijk naar ons stedelijke netwerk op de schaal van ons hele land -zo groot is het niet- en maak allereerst de Vinexwijken en de groeikernen af door ze te diversifiëren, te verdichten en nog beter te verbinden met de andere delen van het netwerk. En zo kunnen we nog wel even doorgaan. De recente geschiedenis laat zien dat stedenbouwkundigen het talent hebben om oplossingen te ontwerpen voor grote maatschappelijke opgaven en transities. Er is dus werk aan de winkel. Succes!






De tekst van de lezing wordt binnenkort gepubliceerd in tijdschrift De Blauwe Kamer.

Opname van de lezing tijdens de BNSP/NVTL dag: www.bnsp.nl