Een korte introductie op deze plek IV
de energietransitie
lecture by Michelle Provoost

Vanavond dient mijn introductie om een verband te leggen het gespreksonderwerp van vanavond, de energietransitie, de plek waar we nu zijn, in het centrum van Rotterdam, en Hugh Maaskant, de wederopbouwarchitect die op dit centrum zijn onmiskenbare stempel heeft gedrukt. Iedereen zal begrijpen dat het niet voor de hand ligt om dit verband te leggen, maar ik heb toch iets gevonden; dat moest ook wel want daar was ik voor gevraagd.

Er is een moment geweest dat de binnenstad van Rotterdam er zó uitzag: wuivend graan tot aan de gevels van het stadhuis, met de relicten van het beruchte vooroorlogse uitgaansleven aan de Kruiskade in de verte en op de voorgrond een met de hand geverfd verbodsbord op een houten paal met de woorden: ‘Verboden Toegang. Gemeente Rotterdam teelt voedingsgewassen’. De gebouwen staan er op de foto bij als relicten van een verloren gegane beschaving, overwoekerd en teruggenomen door de natuur. Op dit moment, in het begin van de oorlog, was het nog totaal onduidelijk hoe de stad er in de toekomst uit zou zien. Het bekende was verdwenen en zou niet terugkeren, alles zou anders worden. De routes die mensen kenden, de plekken waaraan ze gehecht waren, de straten die ze prettig vonden, overal hadden ze afscheid van moeten nemen. Het was een shock.

Dirk Sijmons heeft geschreven dat er wellicht een ‘collectieve coaching’ nodig is om de Nederlandse bevolking psychologisch te begeleiden bij de energietransitie. In het gebombardeerde Rotterdam had men die coaching tot een kunst verheven. Allereerst was er de rouwverwerking van hetgeen verloren was gegaan. Tegen de mensen die treurden om de grachtjes en smalle straatjes en de gemoedelijkheid van de vooroorlogse stad zei het Basisplan bij monde van stedenbouwer Sam van Embden: ’Realiseert U zich, Rotterdammer, dat vele der dierbaarste herinneringen aan wat in de Meidagen verloren ging, zich juist vasthechtten aan wat, nuchter bezien, slechts tekortkomingen waren van onze oude stad?

En na de rouwverwerking kwam in het coaching traject de verwelkoming van de nieuwe wereld. Daaraan deed Maaskant enthousiast mee, hoewel het bombardement voor hem een persoonlijke tragedie was; hij moest vluchten in zijn open Ford met alleen zijn vrouw en baby en verloor verder alles, huis en kantoor. Hij zei daarover zelf: ‘Wij hebben de stad zien branden en leeg zien lopen, wanhopige mensen, bepakt en beladen, kinderen met de poes in hun armen, mannen met de vogelkooi aan hun vinger, gezinnen met opoe op een handwagen enz. Die dag ben ik chauvinist geworden. Toen ik de volgende dag ging kijken stond er een man bij de restanten van zijn bezit te huilen. Hij snikte: ‘Mijnheer, wij kijken naar het graf van onze stad’. Ik had maar één antwoord om hem op te beuren: ‘Fout, wij kijken naar haar glorie’.

De gevolgen van het bombardement waren in tegenstelling tot de afnemende biodiversiteit of de smeltende Noordpool elke dag zichtbaar voor de Rotterdammers. De noodzaak om daaraan mee te werken viel niet te ontkennen. Iedereen deed mee, ook machtige rijke partijen zoals de havenbaronnen; ook toen waren dat al multinationals, maar wel geworteld in en verbonden aan Rotterdam, ze werkten mee in plaats van tegen, zoals tegenwoordig vaak het geval is bij de Shells en Unilevers van de wereld. Deskundigen en de wetenschap, de overheid en de architecten, ze vormden destijds gerespecteerde aanvoerders. Maaskant zag in de leegte van het bombardement direct de grote mogelijkheden voor stedenbouwers en architecten. Dat is niet moeilijk voor te stellen: het betekende werk van ongekende omvang en bracht hem rijkdom.

Maar voor grote delen van de Nederlandse bevolking was dat aanvankelijk niet zo. Niet alleen tijdens de oorlog had die een schamel bestaan, ook het eerste decennium daarna heerste er gebrek en armoede; alle investeringen en de Amerikaanse ontwikkelingshulp van het Marshallplan gingen naar de opbouw van de infrastructuur, de havens, de vliegvelden en de industrialisatie. Dat werd door de nationale regering in balans gehouden door geleide loon en huurpolitiek en de instelling van de AOW, kortom er was hulp aan de armsten en er was een egalitair beleid gericht op meer gelijkheid. Op de een of andere manier ging men daarmee akkoord, er was nauwelijks debat, men offerde zich op voor het collectieve belang, hoogstens een kleine groep communisten en kunstenaars monkelde aan de zijlijn. Tien jaar lang was het hard werken en sober leven, dankzij het hypnotische verhaal van de collectieve opbouw van ons land. Pas in de tweede helft van de jaren vijftig kwamen er hogere lonen, meer en betere woningen, meer spullen, meer vakantie, meer auto’s, alles meer. Maaskant gedijde goed bij die aanzwellende kwantiteiten: hij bouwde meer huizen, meer fabrieken, meer winkels, alles meer en groter.

De generatie van Maaskant bouwde het geloof in de technologie en de vooruitgang. Zij bouwde de miljoenen huizen die nu moeten worden opgeknapt en energiezuinig moeten worden gemaakt, legde de basis voor de vervuilende industrieën die nu opgeschoond moeten worden, de vele vliegreizen die we nu willen verminderen, de automobiliteit waar we nu vanaf willen en legde het net voor het aardgas aan dat nu opraakt.

De wederopbouw van NL en de energietransitie komen misschien qua opgave en schaal bij elkaar in de buurt, maar zo ongeveer alle condities en instrumenten zijn verschillend. En de grootste verandering is misschien wel een psychologische: die van meer naar minder.
Het wervende verhaal van de vooruitgang, van elke generatie die het beter krijgt dan de vorige, van vanzelfsprekende loonsverhogingen en prijsverlagingen, van toenemende welvaart, geldt die nog wel in de toekomst? In het algemeen lijkt het erop dat de cultuur van overvloed die het mantra is geworden in de naoorlogse periode ophoudt nog voordat hij grote delen van de wereld heeft bereikt.

Bij de energietransitie zal het vooral om minder gaan. Een idee van vooruitgang dat niet gekoppeld is aan meer, maar aan minder auto’s, niet aan grotere, maar aan kleinere woonruimte, niet aan meer, maar aan minder mobiliteit, niet aan meer, maar aan minder consumeren en niet aan consensuspolitiek maar aan identiteitspolitiek. En dat terwijl de maatschappelijke gelijkheid niet langer toeneemt, maar juist afneemt en de ongelijkheid verder dreigt opgedreven te worden door de milieumaatregelen. Valt daar ook een mooi en overtuigend, misschien zelfs hypnotisch coaching verhaal op te baseren? Met die open vraag laat ik u graag achter.