Hurkende reus aan de Maas

Bijna twintig jaar geleden ontwierp Rem Koolhaas De Kunsthal, een inspirerend meesterwerk dat het eigenzinnig karakter van de stad onderstreepte en de stad vooruit hielp. Nu hurkt er een plompe reus aan onze skyline, De Rotterdam, de cynische bevestiging van het bestaande gebrek aan verbeelding. Wat een gemiste kans voor Rotterdam, vindt Wouter Vanstipthout.

In 1991 verhuiste ik vrijwillig naar Rotterdam. Dat voelde toen nog als een ideologische keuze, jezelf vrijwillig te commiteren aan deze gehavende stad, in plaats van jezelf uit te zetten in het toeristen- en studentenreservaat dat Amsterdam heette.

De stad was in die tijd berucht om haar leegheid, om de weggebombardeerde stedelijke leegtes en de robotische haveninstallaties op het kunstmatige land dat zich tot diep in de Noordzee uitstrekte. De zeedijken, treinsporen en overgedimensioneerde autowegen liepen dwars door de binnenstad heen. De weinige bezoekers aan de stad dachten wel twee keer na voor ze een straat naar een museum of park overstaken, laat staan om zich een weg te banen naar de oevers van de Maas waar ze stroomopwaarts tuffende containerschepen langs hadden kunnen zien varen.
Rotterdam was ook luidruchtig en donker, net als de klagerige new-wave die gespeeld werd door de bandjes in de binnenstad, en als de sociale woningbouwflats die een bijzonder agressieve vorm van lokale hip hop produceerden, een brute, volkse vorm van techno, die bekend zou komen te staan als Gabber House en de wereld snel zou veroveren.

Heerlijke betonnen knoeiboel
Het was ook de stad waar een nieuwe architectuur vandaan kwam, en dan bedoel ik niet een nieuwe stijl van architectuur, niet een nieuwe generatie van architecten, maar echt: een NIEUWE architectuur. Mijn eerste en bijzonder diepgaande kennismaking hiermee was toen we de bouwplaats van de bijna affe Kunsthal van architectenbureau OMA (van Rem Koolhaas) binnenslopen. Het was fascinerend om het gebouw te zien van binnenuit, het was als een onmogelijke, rauwe, betonnen knoeiboel die op instorten leek te staan. Het gebouw belichaamde de vreemde infrastructurele anti-logica van Rotterdam, zodanig dat ze zelf deel werd van die infrastructuur. Op dat moment leek het nog op een bouwproject dat op een surrealistische, Buster-Keaton-achtige-wijze, fout zou gaan. De aannemer die ons betrapte en ons daarna door het gebouw rondleidde, had al honderden keren vermoeid aan zijn onderaannemers uitgelegd dat dit geen fout was, dat dit geen tijdelijke oplossing was maar dat dit echt het definitieve gebouw was, the real thing en dat dit werkelijk was zoals de architect het bedoeld had. Ja, ook de openbare hellingbaan die dwars door het gebouw heen liep en het park met de zeedijk verbond. En ook de donkere straat die onder het geheel door liep, en de kantoren visueel openbaarde. Alsook de contra-intuitieve asfaltbekleding-bovenop-marmer-bovenop-glas, de scheve kolommen in het auditorium, de pittoreske met boomschors beklede kolommen in de grote expositiezaal en de barse stalen roosters die dienst deden als looppaden.

Het is al vaak gezegd, dit was meer stedebouw dan architectuur, en juist daarom zo’n vreugdevolle omhelzing van het gebroken lichaam van Rotterdam in architectuur gevat. Het was ontroerend om het te zien toen het eenmaal af was, de oude Rotterdammers die mopperden over de geheimzinnige verborgen informaliteit van de ingang, de jongeren die onbezonnen de hellingbanen op en af renden. Je voelde je gerechtvaardigd en begrepen als een van Rotterdam’s vrijwillige gevangenen. Zoals zo veel grote kunst is het een genadeloos portret van de stad, alsook haar manifest, en het voelt aan alsof het speciaal voor jou gemaakt is.

Steuntrekker aan de Maas
Twintig jaar later is de Kunsthal OMA’s kleinste project in Rotterdam. Het werk van het bureau is alomtegenwoordig en almachtig aan het worden. Dit jaar wordt het grootste gebouw van OMA in Rotterdam geopend, De Rotterdam, een kolossaal geheel van stalen en glazen volumes op en naast elkaar gezet. Door de nauwe uitgespaarde kieren lijkt het soms alsof meerdere gebouwen tegen elkaar aangeduwd staan, soms lijkt het ook één grote klomp. Het gebouw bevat appartementen, kantoren en een hotel.
Om De Rotterdam te realiseren, nadat de ontwikkelaars het project al hadden opgegeven, besloot de stad om zijn eigen fysieke diensten vanuit de drie monumentale Marconitorens aan de rand van de stad naar de nieuwe ontwikkellocatie te verhuizen, zodat het rendabel zou worden om het gebouw te ontwikkelen. Daarmee kwamen nog eens tienduizenden extra vierkante meters kantoorruimte leeg te staan, bovenop de al honderduizenden bestaande lege vierkante meters die de vastgoedmarkt van de stad nu al lam leggen.
De Marconitorens werden meer dan veertig jaar geleden ontworpen door SOM uit Chicago en konden overigens ook toen alleen maar gerealiseerd worden omdat de stad zijn ambtenaren vanuit het centrum naar de nieuwe torens verkaste, om de ontwikkelaar over de streep te trekken te gaan bouwen. In beide gevallen konden deze symbolen van vrijemarktdynamiek in deze meest Amerikaanse der Nederlandse steden alleen gerealiseerd worden dankzij overheidssteun van de gemeente.

Schijn van dynamiek
De onverklaarbare herhaling van deze absurde strategie van de stad om publiek geld te riskeren om onrealistische projecten van de grond te krijgen, alleen maar om de schijn van dynamiek op te houden, wordt op zichzelf ook weer herhaald in het jaren zestig architectuurbeeld van De Rotterdam. De ijskoude grauwe detaillering van staal en glas die we in de OMA-gebouwen in de hele wereld, van Londen tot Shenzhen tot Rotterdam, terug zien komen, lijken allemaal terug te voeren op het grootzakelijk modernisme van SOM uit de jaren zeventig, en op het werk van de Rotterdamse held van de moderniteit: Hugh Maaskant, die overigens ook het gebouw ontworpen heeft waar OMA momenteel kantoor houdt.
Vanuit het perspectief van de gemeente kun je het blijven nastreven van deze strategie nog zien als een gebrek aan verbeelding, niet in staat zijn om vooruitgang, moderniteit en economisch succes als iets anders te zien dan nog meer en nog grotere gebouwen toe te voegen aan die fameuze skyline... maar wat zegt het over OMA?

Ik ben bang dat het iets ergers is dan een gebrek aan verbeelding, ik ben bang dat het gebrek aan interesse is. De Kunsthal was geinspireerd door de uniciteit van de stad Rotterdam, maar De Rotterdam lijkt slechts te verwijzen naar wat Rotterdam juist hetzelfde maakt als overal, de oude modernistische gebouwen, de byzantijnse anti-logica van vastgoedfinanciering en haar uitdrukking daarvan in grootzakelijke architectuur. De meedogenloze grijsheid van zijn vorm werkt als een sardonisch masker, het drukt uit hoe weinig geroerd, of juist gedeprimeerd?, de architecten zijn door het feit dat dit type vastgoed in feite de stad beschadigt, dat het de publieke middelen van de stad opeet, en de kansen vermindert voor bestaande gebouwen om gebruikers en investeerders te vinden. Kijk naar de gevel en vraag je af: kan het de architect wel schelen?

Plompe reus
Er is iets opwindends en iets moois, maar ook iets tragisch aan dit gebouw, en aan zijn gevoelloze zwijgzaamheid. Het laat zien hoe de stad zelf niet langer in staat is om architecten te inspireren iets bijzonders te doen, maar ook dat de wereldwijde productie van architectuur zelf, en de financiele en politieke manipulaties daarvan, het enige referentiekader vormt voor het ontwerp. Het gebouw verwijst naar het vooruitstrevende modernisme van SOM en van Maaskant en hun generatie uit de jaren zestig, maar niet meer uit de originele overtuiging het goede te doen voor een echte economie, voor echte banen – dat moet toch pijnlijk zijn, als zout in eigen wonden wrijven.

Ik ben ervan overtuigd dat De Rotterdam een ongelofelijk indrukwekkende toevoeging aan het stadbeeld zal zijn, zal definieren hoe de stad er vanuit de rivier uit zal zien, en de meedogenloos moderne reputatie van Rotterdam zal bevestigen. Het politieke en financiele zootje waar het op gebaseerd is zal over twintig jaar vergeten zijn, en het zal dan een landmark zijn, een baken, een symbool. Maar twintig jaar geleden was OMA gepassioneerd betrokken bij het obscure karakter van deze lastige stad, en maakte een architectuur die Rotterdam in staat stelde om zelfstandig verder te gaan, op zijn eigen, eigenzinnige manier. Nu hurkt er een plompe reus aan onze skyline, die alle hoop op een ander Rotterdam heeft opgegeven, op een stad speciaal voor jou.






Vertaling: Melissa van Amerongen

Eerder verschenen op: Vers Beton, 15 nov 2013